Verslag symposium ‘Zij. Natuurlijk!’ 8 oktober 2025

Op 8 oktober 2025 vond als najaarsactiviteit van Ondernemers in Geschiedenis het symposium Zij. Natuurlijk! plaats in het Stadsarchief Rotterdam. Vanwege het bijzondere thema en de inbedding van het symposium in het Rotterdamse Jaar van de Vrouw stond het ook open voor buitenstaanders. Met meer dan 30 gasten was het heel druk bezocht.
Het symposium begint met een korte inleiding van Marjan Beijering, lid van Ondernemers in Geschiedenis en initiatiefnemer en projectcoördinator van het Rotterdamse Jaar van de Vrouw.Zij legt in het kort de achtergrond uit en geeft daarna het woord aan bestuurslid Has van Goethem. Namens het bestuur van Ondernemers in Geschiedenis heet hij iedereen van harte welkom en hij maakt meteen van de gelegenheid gebruik om met name vrouwen (en jongeren) op te roepen zich beschikbaar te stellen voor een bestuursfunctie.

Stadsarchief Rotterdam

Hierna komt Erika Hokke, stadsarchivaris van Rotterdam aan het woord. Ze zegt vereerd te zijn met het bezoek van de aanwezigen en haakt direct in op het eerste punt: ‘Vrouwen maakten geen geschiedenis’. Zij is nu een jaar en acht dagen stadsarchivaris en is de derde vrouw op rij die deze functie bekleedt. Dat betekent dat vrouwen nu ook een rol spelen in de geschiedenis en de geschiedschrijving. Als stadsarchivaris treedt zij vooral faciliterend op. Veel mensen doen ‘een-op-een’ onderzoek: er zijn veel genealogen en onderzoekers naar de geschiedenis van een huis. Daarnaast komen er natuurlijk ook veel historici; zij plaatsen hun onderwerp in een context. Voor die laatste groep wil het Stadsarchief Rotterdam graag iets extra’s doen, maar wat, dat is nog niet helemaal duidelijk.

In het kader van het Vrouwenjaar Rotterdam is er al wel veel gedaan. Er is onder meer een publicatie verschenen: Rotterdamse vrouwen die het hebben gemaakt, met verhalen van Rotterdamse vrouwen vroeger en nu, die geschiedenis hebben geschreven, van wie de portretten onder meer de Maastunnel sieren. Het is een van de vele activiteiten in het kader van het Rotterdamse Jaar van de Vrouw.

Stereotype beelden

De volgende spreker is Alies Pegtel, lid van Ondernemers in Geschiedenis en onder meer schrijfster van het boek Zij in de geschiedenis. Pegtel vertelt feministisch ‘ontwaakt’ te zijn door haar onderzoek voor haar biografie van VVD-politica Neelie Kroes. Kroes studeerde einde jaren vijftig als een van weinige eerste meisjes economie in Rotterdam. Na haar afstuderen in 1965 solliciteerde ze naar een baan op haar universiteit. Zij moest beloven dat ze zodra ze zwanger zou raken, ontslag zou nemen. Pegtel noemt ook als voorbeeld de resten in een Vikinggraf die niet, zoals altijd aangenomen werd, van een man waren, maar van een vrouw. De stereotype beelden (man jaagt, vrouw verzamelt en zorgt voor de kinderen) worden keer op keer herhaald en zijn desondanks lastig te doorbreken.

Volgens Pegtel ontstonden de rollenpatronen al in de Romeinse oudheid. Het Romeinse keizerspaar staat tot op de dag van vandaag model voor ‘leiderschap’. Het beeld van Adam en Eva (Eva is geboren uit de rib van Adam; Eva verleidt Adam om de appel van de Boom der Wijsheid te eten; de zondeval etc.) is hardnekkig. De dubbele moraal die daarvan het gevolg is, wordt al sinds de Middeleeuwen (Christine de Pisan) bestreden, maar veelal tevergeefs. Zie het voorbeeld van de ‘slutshaming’ waaraan Anna van Saksen ten onder is gegaan. En het voorbeeld van koningin Elizabeth I van Engeland, van wie de ongehuwde staat tot onheuse bejegening door mannen leidde.

Elizabeth I beschikte echter wel over veel macht en Pegtel noemt nog meer vrouwen die zelfstandig opereerden. Anna barones van der Duyn van Maasdam betaalde aan haar ex-echtgenoot graaf Alexander van Bylandt jaarlijks alimentatie nadat zij zich in 1793 van hem had laten scheiden. Elisabeth barones van Tuyll kocht als weduwe in 1845 het Haagse landgoed Oostduin en voegde het bij haar twee andere Haagse landgoederen. Dat dergelijke verhalen onbekend zijn gebleven, komt mede doordat de mannelijke geschiedschrijvers zich vooral op de institutionele geschiedschrijving richtten, en daardoor bleven vrouwen die geen bestuursfunties of militaire posities bekleedden, grotendeels buiten beeld. Om de rol die vrouwen hebben gespeeld in de historie te onderzoeken, moet er op een andere manier onderzoek worden gedaan met een onbevoordeelde blik. Het kan lonen om in familiearchieven te spitten en lastig leesbare handschriften te ontcijferen. Met name adellijke vrouwen hadden volop tijd om te corresponderen en zij schreven, evenals mannen in de 18de en 19de eeuw, dagelijks vele brieven.

Ondernemers in Geschiedenis aan het woord

Hierna laat Pegtel enkele Ondernemers in Geschiedenis aan het woord over hun eigen ervaringen met onderzoek naar vrouwenlevens.

Als eerste medisch-historica Catharina Th. (Karin) Bakker. Zij deed onder meer onderzoek naar de Franciscanessen van Charitas uit Roosendaal, die zich specialiseerden in verpleging en verzorging. De geschiedenis van de verpleging en verzorging is nog altijd het ondergeschoven kindje van de medische geschiedschrijving. Tijdens haar onderzoek las zij in de serie Techniek in Nederland over de vernieuwingen in de gezondheidszorg tijdens het interbellum, onder meer de introductie van het röntgenapparaat. In dit verhaal kwamen alleen de namen van mannen (artsen) voor, maar toen zij naar de afbeeldingen keek, zag zij ook – vooral – vrouwen (religieuzen) op de foto’s staan bij de apparaten. Het besef drong door dat al die vernieuwingen in de gezondheidszorg onmogelijk waren geweest als er geen verpleegsters (verplegers waren er in die tijd niet zo veel) waren geweest die de apparaten bedienden en voor andere randvoorwaarden zorgden. Daar werd dus geen enkele aandacht aan geschonken. De auteur had er geen oog voor. Hetzelfde gold voor het Leerboek medische geschiedenis. In het hele boek moest de verpleging het met één kleine alinea doen. In beide gevallen heeft ze de auteurs erop aangesproken, in de hoop op verbetering. Maar het is een hardnekkig probleem. Als bestuurslid van Stichting Zuster Vernède heeft ze overigens ook vaak moeite om voldoende scripties te krijgen voor de Scriptieprijs.

Hierna komt Femke Knoop aan het woord, die bezig is met een biografie van Hillegonda Buisman-Blok Wijbrandi (1876-1967), de eerste vrouwelijke wethouder van Leeuwarden. Zij was actief in de politiek en in veel maatschappelijke organisaties, waaronder de Nederlandsche Vereeniging van Huisvrouwen. Deze organisatie heeft een wat belegen imago maar was destijds opgericht uit emancipatoire overwegingen, en was gelieerd aan de beweging voor vrouwenkiesrecht. Het feminisme had tijdens het interbellum een ‘slecht’ imago. ‘Huisvrouw’ zijn was een goede dekmantel voor vrouwen om zich met emancipatie bezig te houden. Om die reden presenteerde Wijbrandi zich in het openbare leven vooral als huisvrouw, niet als politica of iemand die in het openbare leven in Leeuwarden een hoofdrol speelde. Toch is haar openbare optreden wel bekend – de archieven zijn bewaard gebleven. Maar de zaken die zij als wethouder voor elkaar gekregen heeft, worden niet aan haar persoon gekoppeld. Ook in necrologieën gebeurde dat niet: die komen niet overeen met wat men in de bronnen vindt. Haar naam is daardoor vergeten. Pas later is zij weer in de belangstelling gekomen.

Als derde krijgt Christine van Eerd het woord. Zij beschreef de totstandkoming en ontwikkeling van het Rivierenhuis, een flat uit 1965 aan de President Kennedylaan in Amsterdam. Deze flat was het initiatief van vijf vrouwen, die woonruimte voor ongehuwde werkende vrouwen wilden realiseren. Het waren de Wederopbouwjaren. Werkende vrouwen wilden ook graag een eigen huishouden kunnen runnen, een onafhankelijk bestaan hebben. Dat was bijna onmogelijk. Als ongehuwde vrouw was je aangewezen op pensions met een hospita, of je bleef bij je ouders wonen. De dames richtten in 1955 een organisatie op: De Schans. Ze beschikten over een goed netwerk. Via de gemeente kwamen ze terecht bij de Amsterdamse Coöperatieve Onderwijs Bouwvereniging, een woningbouwvereniging voor leraren en leraressen. Samen zorgden ze voor de totstandkoming van het Rivierenhuis, voor alleenstaanden, of samenwonende vriendinnen, zussen of moeder en volwassen dochter. Het ging vooral om vrouwen. Het duurde nog een paar jaar voordat het project van de grond kwam, ook al haalden de dames van De Schans alles uit de kast om van de gemeente de benodigde extra gelden te krijgen. Uiteindelijk ging de ACOB (met een mannenbestuur) met de eer strijken; het bestuur van De Schans was allang blij en liet het gebeuren. De manier waarop deze actieve vrouwen naar de zijlijn werden verdreven, vormt waarschijnlijk slechts een tipje van de sluier. Het gaat om vaste rolpatronen die door mannen én vrouwen werden (en worden) geïnternaliseerd. Dit is ook zichtbaar bij het onderzoek van Femke Knoop.

Rotterdamse jaar van de vrouw

Na de pauze vertelt Marjan Beijering verder over het Rotterdamse Jaar van de Vrouw. Het is dit jaar 50 jaar geleden dat de Verenigde Naties het Internationale Jaar van de Vrouw afkondigden. Er kwam toen veel geld beschikbaar voor vrouweninitiatieven en initiatieven ten behoeve van vrouwenemancipatie. Nu, vijftig jaar later, leek het tijd om eens terug te kijken en te kijken naar de toekomst. Wat is ervan terechtgekomen, hoe ziet de toekomst eruit?

Wat betreft dat eerste: het is nog altijd nodig zichtbaarheid en hoorbaarheid te vergroten en verbondenheid vorm te geven (netwerken). De vrouwenorganisaties die na 1975 werden opgericht, fuseerden in wat uiteindelijk Dona Daria werd, een kenniscentrum voor emancipatie. Die organisatie is dit jaar failliet verklaard. Maar juist nu, in het Rotterdamse Jaar van de Vrouw, zet een groep vrouwen opnieuw de schouders eronder. Er worden tal van activiteiten georganiseerd, vaak, maar niet altijd, met een historische insteek. Maandelijks is er een Meet Up en zo veel mogelijk vrouwenactiviteiten worden op de website www.vrouwenvanrotterdam.nl verzameld en aangekondigd. Marjan’s collega Anouk van Mil ontwikkelt op dit moment de ZijLIjnen, een chronologische website met daarop een tijdlijn die toegang geeft tot bronnen over de geschiedenis van Rotterdamse vrouwen.

Wat is je perspectief?

Uit het publiek komen nu enkele vragen en opmerkingen naar aanleiding van de verhalen. Het belangrijkste thema is ‘wat is je perspectief?’.

Als geschiedbeoefenaar moet je je altijd bewust zijn van de positie van waaruit je schrijft. Welke vooroordelen heb je zelf ten opzichte van je onderzoeksobject. Waarom noem je in een biografie altijd eerst de vader en daarna de moeder? Als je hoofdpersoon een vrouw is, ligt het meer voor de hand om de moeder eerst te noemen, aangezien de kans groot is dat zij meer invloed heeft op de hoofdpersoon dan de vader.

Het zou in theorie niet moeten uitmaken of je een man of een vrouw bent. Maar vrouwen stellen misschien andere vragen aan het bronmateriaal dan mannen. Voor vrouwengeschiedenis vergt de omgang met bronnen sowieso wel meer creativiteit. Maar of je nu vrouwengeschiedenis schrijft of niet, en vanuit welke genderidentiteit je dat ook doet, je moet natuurlijk altijd goede geschiedschrijving bedrijven.

Maritieme vrouwen

Dit gezegd hebbende, is het tijd voor Irene Jacobs, senior conservator van het Maritiem Museum, die een korte inleiding geeft op de tentoonstelling Maritieme vrouwen. Jacobs begint met de vaststelling dat voor de tentoonstelling meer onderzoek nodig is geweest dan gebruikelijk. Over vrouwen in de vaart is weinig bekend. Ze zijn onzichtbaar. Het thema wordt gehinderd door aannames: vrouwen hebben niets met ‘de zee’, ze hebben geen beschikking over eigen geld. Welnu: die onzichtbare vrouwen waren er wél: vrouwen in de scheepvaart zonder vaste aanstelling, zonder loon.

Jacobs ging zelf op onderzoek uit in de eigen collectie. Ze kreeg een beurs om twee dagen per week vrijgemaakt te worden van het gewone werk. Ze dook in de eigen collectiebeschrijvingen, haalde levensgeschiedenissen boven water en beschrijvingen van voorwerpen. Op grond van de vondsten stelde ze dat het verzamelbeleid ten aanzien van maritieme vrouwen aangepast zou moeten worden.

Ze vond in het archief ruim 600 voorwerpen waaruit bleek dat vrouwen zelf in de maritieme sector werkzaam waren, of als echtgenotes van maritieme mannen betrokken waren, of als passagiers met de maritieme sector in aanraking kwamen. Van 277 vrouwen vond ze de naam, waarvan 140 werkzaam waren, 83 als echtgenote en 54 als passagier betrokken waren. Van deze groep koos ze er 30 uit, van wie 20 werkzaam waren in de sector en 10 echtgenotes waren van mannen uit de sector. De verhalen zijn verspreid over verschillende periodes en de voorwerpen zijn leidend geweest bij de keuze.

De conclusie is dat het belangrijk is om het onzichtbare zichtbaar te maken. Er was veel meer materiaal in het archief dan Jacobs aanvankelijk dacht. Museale collecties zijn juist voor vrouwengeschiedenis van belang. Ook inofficiële archieven moeten gebruikt (kunnen) worden. De voorbeeldfunctie van vrouwen is heel belangrijk.

Na deze uiteenzetting ging de groep richting het Maritiem Museum om de tentoonstelling te bekijken. De afsluitende borrel was een mooi moment om met leden en niet-leden alle indrukken nog eens de revue te laten passeren.

Catharina Th. (Karin) Bakker

Poster-presentaties

Om een beeld te geven van het zeer gevarieerde onderzoek naar vrouwen in de geschiedenis maakten een aantal deelnemers aan het symposium een poster-presentatie. Een mooi aanknopingspunt voor gesprekken in de wandelgangen. Bekijk alle posters in de galerij hier

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *